Van Sint Maarten naar New York

We zijn nog een aardig poosje in Sint Maarten geweest, Pim en Paula kwamen daar ook naartoe en we gingen samen naar de vlindertuin.

Op 2 mei kwamen we aan en pas op 21 mei vertrokken we weer.

De reis over de Atlantische oceaan naar Norfolk verliep prima, het duurde wat langer dan gedacht omdat we weinig wind hadden maar dat wisten we vooraf. We hebben toch de hele tijd kunnen zeilen want we hebben een geweldige genua voor de wat hoger aan de windse koersen, een genaker voor het ruimere werk maar niet genoeg wind om het gele Parasalor (zie vorige Atlantische oversteek) te zetten.

Onderweg zagen we weinig dolfijnen, helemaal geen walvissen maar wel heel veel Portugese oorlogsschepen. Niet dat het oorlog gaat worden hier, het zijn zeilende kwallen met uiterst lange en giftige tentakels, hun zeiltje is prachtig, soms versierd met een rood of blauw randje (meisjes of jongetjes?) en het was een ware sport om ze op de gevoelig plaat te krijgen met mijn nieuwe telelens (verjaars cadeautje) omdat het scherpstellen moeilijk is op een bewegende boot.

Anders aan deze oceaanoversteek was dat we nu niet onder het sterrenbeeld Orion voeren maar onder de Grote Beer, die een deel van de tijd zijn pannetje ondersteboven houdt. En als je dan maar lang genoeg naar het noorden vaart (koers meestal 340 a 350 graden) dan kom je bij de beruchte Cape Hatteras. Appeltje eitje voor ons want de wind was nog steeds kalm gelukkig maar het kan hier gigantisch spoken als de woeste golven rond deze onschuldig ogende punt dansen.

Wat leuk is van land is dat het te ruiken is. Na de heerlijke oceaanlucht eindelijk eens wat industrielucht maar ook, langs een groot deel van de kust waar alleen moerassen zijn, naar heerlijke kruiden, een mengseltje van Moeder Natuur met tijm, lavendel, munt en hooi dat zijn weerga niet kent. Snuivend zaten we in de kuip. Hier bij het land hebben we wat meer dieren gezien, zoals wat ‘slome duikelaars’ (onze benaming voor kleine, trage walvisjes) en vogels. Op een gegeven moment vlogen er allemaal enorme steekvliegen de kuip in, van het land afgewaaid en een lekker galgenmaaltje ontdekkend: ons. We hadden het zo gepland dat we met licht bij de Chesapeake Bay zouden aankomen omdat het daar wat drukker zou zijn. Om 6 uur voeren we het toegangskanaal in en echt druk was het niet. Het water veranderde van blauw naar IJsselmeer-groen. Op de kalme Chesapeake Bay zagen we krabben ‘zwemmen’, ze spartelden met hun pootjes maar echt vooruit ging het niet. Waarom ze dat doen weet niemand, het gebied is wel beroemd om dit gedrag van de krabben met mooie blauwe scharen. Ook zag ik een enorme degenkrab (daarover later meer) zwemmen.

Na een tocht door de baai en dan linksaf naar Norfolk kwamen we aan bij de Waterside Marina, gunstig gelegen aan het centrum van Norfolk. Norfolk is ons goed bevallen; het is mooi, schoon, redelijk gezellig, valk naast onze marina ligt een stadsparkje waarin altijd wat te doen is; muziek, dans, een barbecue en veel Norfolkers (vooral zwarte gezinnen) komen in het parkje picknicken. Het is echt gezellig om via dat parkje naar ‘huis’ te lopen. En At, voor het eerst in de States, zei na twee dagen, uit de grond van zijn hart: I love America!

De ouders van At (inmiddels niet meer in leven) hadden goede vrienden die naar Amerika waren verhuisd in de jaren 50, toen er in Amsterdam geen droog brood te verdienen viel en huisvesting voor het gezin met 3 kinderen al helemaal onmogelijk bleek. Ze hebben altijd contact gehouden met de familie, er is over en weer bezocht en ze kennen At al vanaf de dag dat hij werd geboren. Na eerst in San Diego an de westkust te hebben gewoond, verhuisden ze 8 jaar geleden naar Virginia Beach, een deel van de agglomeratie waar Norfolk bij hoort. We hebben Herman en Mientje meerdere malen bezocht in hun prachtige huis, ze haalden ons op met de auto en lieten ons historische plaatsen als Williamsburg zien, zodat we een indruk kregen van de geschiedenis hier.
Wat een fijne mensen, we missen ze nu al.

Op 9 juni werden we ook nog getracteerd op een heus botenfestival het Norfolk Harbourfest. Best aardig maar voor onze begrippen niet erg groot. Wel heb je er leuke dingen als sleep- en duwboten die elkaar eruit proberen te drukken en zo een soort botenwals op het havenwater dansten.

Vanwege het festival verhuisden wij naar de ankerplaats tegenover Norfolk in het stadje Portsmouth. Ja, het net alsof je in Engeland bent hier. Waar Norfolk een gloed nieuw centrum heeft, heeft Portsmouth een prachtige Olde Towne (zo schrijven ze dat echt) met tot de verbeelding sprekende villa’s, allemaal in de stijl van Volendam en Marken in de zin dat de huid van de huizen uit rabatdelen bestaan, geschaafde planken die een beetje over elkaar heen liggen met een randje om de regen buiten te houden. De huisjes en villa’s hebben vele dakjes, erkers en een porch met vaak een schommel, ze hebben een flinke tuin, zoals er nu in grote delen van het land nog steeds gebouwd wordt. Alleen is het ‘hout’ nu van gerecyceled plastic.

In Norfolk is ook een goed scheepvaartmuseum, Nauticus, waarnaast een 300 meter lang oorlogsschip ligt: de Wisconsin. Op het diverse schiettuig staan de arabische namen van steden die door het betreffende kanon zijn geraakt. De Wisconsin vocht ondermeer in de Golfoorlog.
Binnen in het museum zie je ondermeer een afdeling over de Chesapeake Bay, de ecologie ervan, nogal apart met brak water, en daar zagen we echte degenkrabben, die hier ‘horse shoe crab’ heten. Ze zijn bruin, hebben een schil over zich heen dat aan de voorkant rond is, als een hoef maar veel platter, dan op de rug een scharnier en dan nog een stuk schild. Een lange staart is wat je nog van het beest ziet, de pootjes en de rest zitten onder het schild. Deze dieren bestaan al 145 miljoen jaar!!!!! Zo goed zijn ze ‘gebouwd’. Ik heb ze aangeraakt en het was echt heel bijzonder om dit levende fossiel van zo dichtbij te kunnen meemaken.

Tot ons genoegen kwamen Pim en Paula ook naar Norfolk zodat we nog gezellige dagen met ze konden hebben. Toen werd het echt tijd om naar het noorden te gaan: het was alweer de 20ste en op de 27e zou Marten, de tweede zoon van At, met het vliegtuig landen in Washington.

At en ik voeren de Chesapeake op, richting de mond van de Potomac River. Na een ochtend van onschuldig weer en gunstige weerberichten, zag ik opeens het water voor ons zwart kleuren en de lucht loodgrijs. Ik zei: At, NU de zeilen eraf, nee NU! We draaiden het voorzeil in, het grootzeil deed al niet mee en ik haalde de nl vlag binnen. WAM opeens een harde klap wind en binnen enkele minuten hadden we windkracht 8. In no time bouwden de golven op en probeerden wij op de motor schuin tegen de wind te blijven liggen, wachtend tot de bui voorbij zou zijn geraasd. Nu bleek ook dat onze z.g. geweldige klapschroef geen kracht kan leveren tegen wind en golven in, dus we besluiten meteen de oude aluminium schroef er weer op te zetten zodra we weer een keer op het droge staan.

Nou ja, de ministorm hield aan en wij draaiden om om met de wind mee naar een haventje in de buurt te gaan. Die nacht was er erg veel wind voorspeld maar het bleef windstil. Dan de volgende dag maar weer op weg. Geen problemen meer met de wind en het reisschema had voldoende ruimte voor dit soort gevalletjes. Zonder verdere problemen voeren we de Potomac op. De rivier is hier nog 8 mijl breed en wordt zeer geleidelijk aan smaller en ondieper. Je vaart op zo’n rivier, net als in de Chesapeake trouwens, met het oog op de kaart want grote stukken zijn maar 60 cm diep dus je vaart door geulen die je alleen op de kaart kunt zien. Het is een beetje wadvaren. Er was bijna geen verkeer, alleen de Kalmar Nickel, een nagebouwd Nederlands schip, voer met ons mee. Zie foto. De Kalmar Nickel hadden we op het Norfolk Harbourfest al uitvoerig gefotografeerd maar toen lag ze aan de kade, toch anders dan zo in het wild.

Voor donker zochten we een ankerplekje in een van de vele inhammen en kreken langs de rivier. In de pilot zie je welke diep genoeg zijn. Het is hier motorbotenland, veel kreekjes zijn ondiep maar geschikt voor de kleine boten. Wij vonden een prachtige plek en genoten die avond van de mooie huizen, het licht en de vriendelijke mensen (wilt u misschien wat krab? Wij hebben er teveel gevangen.) Voor de krabben niet vriendelijk, en voor ons lastig, want overal hier dreven boeitjes met daaronder een krabbenval. Die boeitjes met hun touw wil je niet in je schroef krijgen dus je moet uitkijk houden.

Aan het eind van de volgende dag lagen we in Washington met uitzicht op het Monument, de lange obelisk die je al van mijlen ver boven de stad ziet uittoornen. De volgende dag de fietsen eruit en even langs de Mall (een heel groot plein) met daaraan het Capitool, het Monument en er vlakbij het Witte Huis. Dan naar een van de vele Smithonian Musea, gratis toegang en fantastich ingericht. Mijn favoriet is het museum van Natural History. Wat een dieren! Erg leuk was dat wij in het afgelopen jaar zelf met enkele ervan hebben kennisgemaakt: de Southern Right Wale, de lederschildpad en ook het portugese oorlogsschip was er vertegenwoordigd. Een gigantische afrikaanse olifant, ook een bekende, staat centraal. Het museum is zo fijn (en druk) omdat de teksten thematisch zijn (wat doen al deze dieren in de poolgebieden om niet af te koelen?) zonder met een overvloed aan informatie de bezoeker te ontmoedigen.
Ze hebben echt de meest bijzondere collectie opgezette en nagebouwde dieren, een indrukwekkende hoeveelheid skeletten van dinosauriers, je hebt dagen nodig voor zo’n museum.

 

 

 

 

Bij de zoogdieren zag je deze stekelmuis. Erg klein en erg grappig diertje.

 

 

 

 

De volgende dag gingen we naar het museum voor de oorspronkelijke bewoners. Het bijzondere aan dit museum is dat je er in het cafetaria de oorspronkelijke voeding van het land kunt eten. Exotische gerechten die je echt alleen hier kunt proeven.

Architectuur in Washington:

Toen werd het tijd om Marten van het vliegveld Dulles te halen. Gezellig, hij heeft 10 dagen de tijd en vliegt terug vanuit New York, zo kan hij een flink stuk meevaren en echt deelnemen aan onze reis. De voldoende morgen sleuren we arme Marten snel per fiets naar de ‘highlights’ die we eerder noemden, renden met hem door het museum van Nat. Hist. En toen snel naar de Gangplank marina, touwen losgooien en de Potomac weer af.

Voor de nacht vonden we een ankerplaats en toen we daar goed en wel lagen kwam er een bootje naar ons toe. Marten dacht: -we moeten hier zeker weg-, wij dachten, -o. Weer krabben- maar het was: Hi, my name is Mikey, and I am inviting you to dinner. En dat deden we meteen. We springen op zijn bootje, met een heerlijke meloen die ik net had aangesneden. In zijn kleine huisje met muggengaas waren nog 6 of 7 andere mensen. Allemaal vrienden uit de buurt en ze aten vaak samen. Het was het buitenhuisje van Mikey, die door de week een keurige makelaar is die in de stad woont.

We hadden een supergezellige avond, At en Marten zorgden ervoor dat Mikey niet teveel bier overhield. Gekukkig was er naast vlees ook veggy eten voor mij. We werden helemaal uitgehoord over onze reis, over hoe we over de amerikanen dachten, zijn we echt dom en onwetend? En wie we dachten dat de nieuwe president zou worden. Obama weer? Wij dachten van wel (niet dat we hier kranten lezen hoor, of tv kijken). Zij vertelden ons over hun manier van leven, hoe je fossiele haaientanden kon vinden op het strandje en hoe hun gezelschap vaak samen aan het eten was. Wat een avond, wat een verrassing, wat een mooie herinneringen.

Dan slapen en met licht weer op richting Chesapeake en het dorpje Saint Michaels.

Dat is een soort Urk; weer de nostalgische huisjes, maar met veel meer ruimte dan de opeen gepropte huisjes van Urk, Marken, Volendam, Edam en dergelijke. Na verkennen weer op weg naar het noorden van de Chesapeake, waar een kanaal naar de volgende baai aan de Atlantische oceaan loopt: het C&D channel naar de Delaware Bay. Hier zagen we een bald eagle, het nationale symbool van de USA. We overnachtten aan het begin van het kanaal en met hoog tij en de eerste zonnestralen lieten we het water ons naar de andere kant trekken.

De wind draaide met het water mee dus we konden niet zeilen of ook maar de zeilen bijzetten. Na een overnachting in Cape May, waar achter de Atlantic weer begint, vertrokken we de volgende dag richting New York en gelukkig viel er de hele weg prima te zeilen. We voeren weer een nachtje door om op 30 juni bij licht de Lower Bay in te varen bij Sandy Hook. Dan door de Narrows, onder een brug door, de Upper Bay in waar we om 07:23 uur het Vrijheidsbeeld zagen! Niet lang daarna voeren we er vlak langs om foto’s te maken en om te zien hoe groot dat beeld is! Om 9:15 uur hangen we aan een meerboei op de hard op het getij heen en weer stromende Hudson, vlak bij 79th Street.

Zodra we wat gesetteld waren gingen we de stad in om ons onder te dompelen in deze heerlijke energieke stadwaar de straten vol zijn met aparte mensen, schitterende hoogbouw, overweldigende reclameborden (full HD)

en om even adem te halen lieten wij ons op het Empire State Building hijsen met super snelle liften.

Heerlijk was die onderdompeling en toen we ’s avonds moe maar voldaan weer op de boot waren voelden we ons volmaakt gelukkig. Heerlijk om in je eigen omgeving weer wat op adem te komen!

En voor je het weet is het dan de 4e juli, groot feest hier. Annelies, van de Wizard, komt even langs op de Mauyva op kennis te maken en die avond eten we met haar gezin: Hans en de jongens Hille en Floris plus, je raadde het al, Pim en Paula, die ook in New York liggen. Super gezellig werd het die avond en het vuurwerk was prachtig.

Sorry voor de foto’s met een te lage resolutie. Ik zal de instelling wijzigen.

Een bezoek aan New York is niet compleet zonder naar het Natuur Historische museum te gaan hier, op loopafstand van onze haven. Ze hebben veel meer dino’s dan Washington maar hier is de opstelling vrij ouderwets, het is niet echt mooi en foto’s maken is lastig omdat overal glas voor zit.

En je moet ook naar het Guggenheim Museum, vooral vanwege de fraaie architectuur van Frank Loyd Wright. Let op, er zitten verboden foto’s bij!

Kandinsky hangt hier, samen met zijn impressionistische broeders Picasso en Monet, Manet en dat soort types.

Verder is New York een kwestie van veel wandelen, hoofd in de nek, gezellige buurtjes bezoeken, zoals Little Italy, Greenich Village, Noho en Soho, enfin, ga zelf maar eens een keer. En je moet echt, verplicht, wandelen in Central Park.

Ja, jammer van die lage resolutie.

Geplaatst in Uncategorized | 5 reacties

Trinidad

5 mei 2011
Van Tobago voeren we in 14 uur (dus ’s nachts want je wil met licht aankomen) naar Trinidad, een heel ander eiland waar het tempo hoger ligt, het veel viezer is, waar meer criminaliteit is, waar de hoofdstad Port of Spain ligt en waar bijzondere dingen te beleven zijn. Als je op de kaart kijkt naar Trinidad, net ten noorden van Venezuela, dan lijkt het een Tucje waar een hap uit is. Het eiland is ongeveer 100 bij 150 km groot en heeft twee snelwegen; een die noord-zuid loopt en een die oost-west loopt. Verder zijn er alleen maar smalle wegen met gaten erin, waar stukken uit weg zijn en waar her en der dorpjes langs liggen met huisjes op palen, veel kleine kraampjes met fruit & groenten en vrij veel krotten.

Op dit eiland spreken ze Engels maar je moet erg wennen aan het zangerige caraibische dialect, het overslaan van woorden en de aparte vocabulaire. In winkels word je door de dames aangesproken met sweety, darling of sweetheart bijvoorbeeld. Onze lieve lasser Roy (Fitzroy Russel), die werkt vanuit zijn hart en met ons wilde werken omdat hij goede ‘vibes’ kreeg van ons, noemde Tess ‘Baby Girl’ omdat iedereen hier met zijn bijnaam wordt aangesproken en als je die niet hebt krijg je er een.

Onze haven ligt in Chaguaramas, ten zuiden van het noord-westelijke puntje in de

beschutting van een schiereiland. Het is de luxe haven in een ‘dorp’ dat alleen uit jachthavens, met ieder hun eigen botenwinkel en restaurant, en werven bestaat. Er zijn ook vissersboten en boten die de olie-industrie die hier domineert bedienen. Langs de hele noordkust ligt een bergketen die bedekt is met tropisch regenwoud. Het water is hier groen omdat de Orinoco met vele mondingen uit Venezuela stroomt en de Orinoco heeft groen water.

De reden voor ons om naar Trinidad te gaan begin maart was dat onze vrienden van de Panoramix, Pim en Paula, hier ook liggen en we samen naar het beroemde carnaval willen gaan kijken. Dus kijk maar even naar foto’s voor een impressie van het carnaval.

Wij dragen weggegooide versierselen in Egyptische stijl.

Met Pim en Paula uitrusten.

Verder is de haven heel aantrekkelijk omdat hij beschikt over een geweldig zwembad waar we meerdere keren per dag indoken om af te koelen.

Wat ook interessant was om te zien is het pekmeer, daarvan bestaan er maar drie in de hele wereld. Onder Trinidad en Venezuela daar lopen diepe breuklijnen, er zijn hier ook wel eens aardbevingen. Die breuklijnen lopen door grote olie en gasvelden. Trinidad staat ook bekend om zijn olieindustrie en benzine kost hier bijna niets. Op de kruising van die breuklijnen lekt olie naar het oppervlak en vormt een meer. De bovenlaag stolt en daarop kun je lopen. Kleine belletjes breken onder je tenen. At, Pim en ik hadden het geluk dat het flink regende zodat het oppervlak niet heet was. Het pek komt in bubbels boven zodat er naden lopen en daarin komt regenwater te staan dus soms moet je springen naar het volgende stuk.


Jullie hebben allemaal al eens gereden over Trinidees asfalt, het wordt in Nederland ook gebruikt in het asfalt op de wegen. Grote buldozers oogsten het plakkerige spul maar ze mogenniet stil blijven staan want dan zakken ze onherroepelijk weg in het pek.
De europese schepen die hier vroegen met elkaar knokten om wie welk eiland in zijn bezit kreeg, wisten het meer ook al te vinden om de scheepshuid waterdicht te maken want daar is pek ideaal materiaal voor, ook goed voor de bescherming van de houten romp.
Op deze foto zie je hoe belletjes gas door de gids worden aangestoken.
De lokale bevolking, die hun grond rond het huis allemaal hebben vol geteerd, komt baden in het water dat op het meer staat omdat dat ‘gezond’ zou zijn. Bij ons zou er om zo’n meer een hek worden gezet met waarschuwingen dat er ernstige vervuiling is.

Hier groeien er cashewnotenbomen, lotus bloemen en andere bijzondere planten in en als je de weg weet mag je zonder gids ook wel op het meer lopen.

Ik denk dat er aan een boom misschien 1 zakje noten zit en de bolster is giftig!

Pim prikt in de pek met een stok. Hier moet je niet per ongeluk gaan staan….

Wat aan Trinidad heel handig is, is dat je er een Amerikaanse ambassade hebt. Samen met Barbados is dit de enige mogelijkheid om in de Carieb een Amerikaans visum te krijgen. Bootjesmensen zoals wij worden beschouwd als mogelijke bewoners van de US omdat we ons huis bij ons hebben, en dus moeten we een interview hebben bij de ambassade voor een 10-jarig visum. Kom je met het vliegtuig, dan is het niet zo ingewikkeld. Onze afspraak was pas op 20 april, daarom zijn we hier twee maanden blijven steken. En als je dan toch moet wachten, dan maar meteen weer laten lassen aan de boot en we hebben een grote zonnetent laten maken omdat het echt te heet was in de boot en wij geen airco willen. Tess kwam ook nog langs met de post en met foto’s en filmpjes van Kes en Pomme. Erg fijn.

Natuurlijk hadden we alles zo gepland dat als Tess zou komen het werk klaar was maar omdat hier alles erg traag gaat en mensen zich niet gebonden voelen aan hun afspraak stond de boot op de kant toen ze kwam. Maar er was wel een plan. Samen met Pim en Paula waren we al eens naar de lederschildpadden gaan kijken die hier jaarlijks eieren komen leggen op het strand.

Dat was zo geweldig dat ik dat met Tess ook graag wilde gaan zien. At moest bij het werk op de boot blijven. Tess en ik reden dus over de snelweg (iedere 2 kilometer een stoplicht) en daarna over gammele bruggen en om de gaten heen door het regenwoud naar de noordkust waar een hotel op het strand stond en je alleen maar naar buiten hoefde te gaan om echt heel veel van die enorme schildpadden te zien. Ze wegen tussen de 300 en 900 kilo, zoveel als een kleine auto. In het donker ploeteren ze het steile strand op, zoeken een plek en gaan dan met hun achterpoten heel zorgvuldig en vakkundig een gat graven. Ze doen dat heel voorzichtig, er valt bijna geen zand terug. Dan deponeren ze hun eieren erin, ongeveer 80 tot 120 stuks waarvan een deel onbevrucht is, die eitjes schrompelen weg en geven zo ruimte voor de kleine padjes als ze uit hun ei komen. Na het leggen doet ze voorzichtig het gat weer dicht, stampt het goed aan (je ziet het beest omhoog komen) en camoufleert vervolgens het gat. Dan maakt ze verderop nog een schijnkuil om eierrovers (zoals de mensen) op een dwaalspoor te zetten en dan gaat ze via een omweggetje terug de zee in.
We hadden een erg goede en ervaren gids die erg veel vertelde over de beestjes, een uitvoerig verhaal kun je opvragen door een mailtje te sturen naar beatrijsvw@gmail.com.

Toen dan eindelijk ons interview was geweest, Tess naar huis was gegaan en wij onze paspoorten met visum en al terug hadden gekregen zouden we weg kunnen gaan ….. als onze zonnetent op tijd was afgeleverd. Moesten we daar weer op wachten! Enfin, eindelijk op de 29e, op het laatste nippertje kwam de zeilmaker met de tent en we konden nog net met licht wegvaren, tussen de eilanden door naar het noorden. Wij hebben haast om naar het noorden te gaan omdat het orkaanseizoen eraan komt. In juni moet je toch wel weg zijn hier dus geen tijd om al die prachtige eilanden te zien. We voeren in een kleine drie dagen naar Sint Maarten. Eindelijk weer goede restaurants, een prachtige supermarkt maar we liggen alweer in een haven terwijl we eigenlijk willen ankeren en zwemmen in zee.

Onze plannen: Binnenkort oversteken naar Norfolk, Chesepeak Bay in de US, aan deze baai ligt Washington bijvoorbeeld. Dan naar New York, dan verder noord naar de omgeving van de eilanden Martha’s vinyard en Nantucket. De bedoeling is om onze Canadese familie te bezoeken met een huurauto.

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

Geplaatst in Uncategorized | 5 reacties

Oversteek Atlantische oceaan

Op 10 februari om 1800 uur, na nog even 466 liter (achteraf) extra onnodige diesel getankt te hebben, staken we van wal. Er was bijna geen wind dus de motor deed het werk terwijl La Gomera, dat heerlijke eilandje met die fijne haven langzaam, heel langzaam uit het zicht verdween. De zon ging onder achter het meest westelijke eilandje van de Canarie archipel, El Hierro (de ijzeren).

In een zeilboot zit je meestal achterstevoren, met je rug tegen de kajuit, je benen voor je uit op de bank, lekker kussentje in je rug, flesje water bij de hand en zo is het goed uit te houden. Nog uren lang konden we de lichtjes zien op de eilanden, vooral het hoge Tenerife bleef nog lang nagloeien boven de oostelijke kim.

Het zou nog lange tijd duren voordat we weer land in zicht zouden hebben. Hoe is dat, weken lang geen land, geen andere mensen, geen seconde stilliggen, altijd maar golven, altijd maar wind? Niet samen in een bed slapen maar om de beurt een paar uur slapen en dan wacht houden, koken op een schommelend fornuis, snel de uien doorsnijden, anders rollen ze weg. Het viel gelukkig allemaal erg mee. Het weer op de oceaan is nogal constant, er is veel zon, een paar pluizige wolkjes sieren het zwerk. ’s Nachts zijn die wolken er nog en de lucht is vrij vochtig zodat je wel een prachtige sterrenhemel ziet maar niet helemaal tot de horizon. Toch is het schitterend. Orion passeerde hoog boven ons langs, de maan kwam vrijwel recht boven ons langs en de zon overdag staat ook heel hoog hier in de buurt van de evenaar.

Iedere ochtend doken we een brood op uit de vriezer en bakten het op in de oven. Een heerlijk vers knapperig brood als ontbijt, dat is echt luxe en we genoten ervan. Avondeten was eenvoudig als er veel golven waren (blikjes open trekken en opwarmen), op een rustige zee kan je ook uitgebreid koken. Ik ben nooit zo met eten bezig, ik denk meestal aan het eind van de dag, O jee, we moeten nog eten. Maar op reis betrapte ik mezelf erop dat ik ’s morgens als zat te denken wat we die avond zouden eten. Heel vreemd.

Ook absoluut luxe is midden op de oceaan een warme douche nemen. Omdat wij een watermaker hebben die met behulp van de stroom van de generator 60 liter zeer schoon water per uur kan maken kunnen wij dat gewoon doen. Top vinden we dat.

Nee, ik vond de overtocht helemaal niet te lang duren. Het was juist heerlijk. We hadden fijne boeken en het is ook lekker om gewoon voor je uit te staren naar de golven, de wolken of het kielzog en je gedachten de vrije loop te laten. Het ging allemaal zo gemakkelijk, zo rustig, dat we dachten: een oceaanoversteek? Eitje. Ja, dat dachten die eerste twee weken.

Dus vertrek op de 10e, we besloten meteen flink naar het zuiden te varen om echt in de passaatwind te komen, dus we voeren richting de Kaap Verdische eilanden, ten westen van Dakar. Daar in de buurt beginnen de passaatwinden echt door te zetten, dat betekent dat het constant 15 tot 20 knopen waait, windkracht 4 tot 5. Als je die wind van schuin achter hebt zeilt het geweldig! Ook de golven komen als het meezit uit die richting en die geven ook nog eens een zetje de goede kant op, samen met de noord equatoriale stroom die je met 1,5 knoop zomaar een dag of wat cadeau geeft.

We hebben veel plezier gehad van onze nieuwe genua, dat is een groot voorzeil,  van North Star, 3D gelamineerd en versterkt met kevlar en carbon strips. Dat zeil heeft geen naden omdat het uit een stuk op maat is gemaakt, dus het kan ook niet op de naden scheuren. Dat zeil staat altijd mooi en is heel krachtig. Dat zeil zit opgerold op het voorstag dus je hoeft het niet te hijsen of te strijken, je rolt het vanuit de kuip uit en weer in. Het grootzeil had drie reven erin, dat had niet gehoeven achteraf, maar we voeren met een ruime oostelijke wind toch nog 5,5 tot 7 knopen.

Op de 13e voeren we over de kreeftskeerkring en de 14e vierden we Valentijensdag, nog meer feest hadden we op de 17e, onze 5e trouwdag, en de 18e toen we 13 jaar samen waren. We hadden lekkere hapjes voor de feestjes en muziek en dans in de kuip bij zonsondergang. Reuze romantisch allemaal.

Na ruim een week hebben we voor het eerst ons nieuwe Parasailor voorzeil opgezet. Het is een soort spinaker maar dan met in het midden een opening over de hele breedte met daarin een vleugel. Het geheel wordt op zijn plaats gehouden met touwtjes en banden. Dit is een super zeil dat heel hard trekt maar dat ook een teveel aan wind kwijt kan door die opening. Met dat zeil hoef je geen grootzeil te voeren. Het is nogal een gedoe om dat zeil te zetten omdat het vier schoten heeft in plaats van twee en ook bleek dat het zeil het beste werkt als het uitgeboomd staat. Uitbomen is een lange paal, een spiboom van 6.5 meter lang, die met een kant aan een rail op de mast vastzit, met een lijn naar boven, een naar voren en eentje naar achteren vanaf de mast tot buiten het schip te plaatsen zodat je aan het uiteinde een schoot kunt voeren. Zo staat het zeil een beetje aan de wind kant (loef) van de boot en vangt het meer wind.

Dat hadden wij nog nooit gedaan, uitbomen. We moesten eerst ontdekken hoe dat precies werkt maar ja, je hebt niet veel anders te doen dus met onze tuigjes (veiligheidsharnas), vastgemaakt aan een veiligheidsband (lifeline) die van voor naar achter over het dek loopt, rommelen met touwen op het voordek is dan wel leuk. En de Parasailor deed het fantastisch met die boom. De snelheid ging nu naar de 8 knopen en dat scheelt een slok op een borrel, oftewel dagen op de reis. Een knoop harder varen is 24 mijl per dag meer afleggen.

Zo is een oceaanreis een gelegenheid om als zeiler te groeien. Omdat je op een gegeven moment toch met je zeilen wil gaan spelen leer je veel meer dan je zou doen op een kleinere afstand waarop snelheid geen groot verschil maakt. Het gedoe van het uitbomen is de moeite waard als je lang gebruik maakt van die boom. En nu gaat het alweer veel sneller.  Onze dagafstanden nemen toevan tussen de 150 en 160 naar tussen de 160 en 180.

We zijn nu ook echt in de passaat beland, het wordt steeds warmer, kleren heb je hier niet meer nodig, de oceaantemperatuur, die bij La Gomera nog 21 graden was neemt toe tot 27 graden. Als we met onze voeten in het water achterop het strand zitten, natuurlijk met tuigje, voelt het echt als badwater zo warm. Maar we gaan te snel om even een duik te nemen. Dat moet je toch niet doen, zelfs als je een lang touw achter de boot aan zou hebben is het risico dat je je eigen boot vanuit het water moet uitzwaaien veel te hoog. Een vlaag wind of een rare golf en hij gaat er vandoor. Dat zullen we dus nooit doen. Op de oceaan in het water vallen betekent dat je waarschijnlijk verloren bent. Daarom maken we ons altijd vast aan de life lines, sterke banden die van voor tot achter over beide kanten door het gangboord naar het voordek lopen. Als je de kuip uitgaat maak je je vast met een lijn van je harnas of tuigje zodat je hooguit langs de boot komt te hangen maar niet los in het water. Verder gaan wij de kuip niet uit als de ander er niet bij is.

Enfin, zo lieten we ons geriefelijk voortsleuren door de Parasailor terwijl de stuurautomaat al het stuurwerk deed en wij alleen maar hoefden te genieten. Uitkijk werd gehouden door de AIS, dat is een systeem van schip naar schip berichten waarbij de positie en de koers wordt doorgegeven. Als de AIS computer ziet dat er een schip onze kant op komt zet hij op het navigaatiesysteem een symbool waar de boot ten opzichte van ons is. Zo kunnen wij besluiten al dan niet uit te wijken.  Heel handig want alle grote schepen moeten zo’n ding hebben.

Op de oceaan hebben wij erg weilnig dieren gezien, een enkel dolfijntje, wel twee ‘slome duikelaars’ zoals we ze noemen; langzame dolfijnen waarvan we inmiddels weten dat het een kleine walvissoort is, maar zo schuw dat niemand iets van ze weet. Wel zagen we vliegende vissen als schichten over de golven schieten, soms zigzaggend en altijd met een plons in een golf verdwijnend. Iedere ochtend liepen we een rondje over het schip om de overleden vliegende vissen uit het gangboord in zee te kieperen. Er zijn mensen die ze opeten. At is zelfs een op zijn been keer geraakt door zo’n vis. Hij schrok zich een hoedje. Je kunt ze ook tegen je hoofd krijgen als je buiten zit. Maar je wil niet de hele reis binnen doorbrengen dus dat risico loop je gewoon.

Het was aan het eind van de middag op 27 februari dat wolken zich boven onze hoofden samenpakten, Uit een regenbui kwam een hoop wind maar wij dachten, ach, het zal zo’n vaart niet lopen, op de weerkaart die we hadden binnengehaald met onze SSB radio stond een verwachting van 15 knopen wind in de nacht (4 Beaufort) dus we lieten de Parasailor staan. Maar het ging steeds maar harden waaien, enorme golven bouwen in korte tijd op en het was pikdonker geworden. Het schip ging sneller en sneller, eerst 9 knopen, dan 10, 11 en zelfs 12 knopen! We hadden 28 tot 30 knopen wind (windkracht 7). Het water siste en bruiste om ons heen maar we zagen helemaal niets. Wolken hielden zelfs het llicht van de sterren tegen en de maan was in zijn  laatste kwartier dus het was zwart om ons heen.

Als je je zeil wilt behouden, dat eigenlijk geschikt is tot 25 knopen, moet je proberen er zo min mogelijk wind in te hebben en dat doe je door precies met de wind mee te varen. Omdat het dek nat was, het zo donker was en enorme golven aan het stoeien waren met de boot vonden we het onverantwoord om ons uit te kuip te wagen dus het zeil strijken was geen optie. We moesten dus wel een heel stuk de verkeerde kant op varen, naar het zuidwesten in plaats van het noord westen. Ongeveer 60 mijl voeren we de verkeerde kant op. Pas toen het licht was geworden en de wind afnam tot 24 knopen hebben we met z’n tweeen het zeil in bedwang gekregen en opgeborgen. De genua en het grootzeil gingen gereefd (verkleind) de boot weer netjes naar het noorden brengen. He he, de stress was er af. Gelukkig bleef de Parasailor heel (het is nogal duur) en kunnen we er nog veel plezier aan beleven. Die dag nam de wind weer flink toe terwijl wij met de wind en de enorme golven dwars van opzij probeerden weer naar het noorden te komen. Anders waren we zo in Brits Guyana of in de Orinocorivier terecht gekomen! Het vreemde is dat Mauyva, die de hele tijd eigenlijk al voorbeeldig vaart, op deze ongemakkelijke koers erg rustig in het water ligt. Je ziet enorme golven van opzij op je af komen, dan denk je; nou, dat zal me een zwieper worden, maar er gebeurt helemaal niets!  Ze blijft keurig rechtop varen, glijdt misschien even met het kontje een stukje naar beneden, maar er is verder niets aan de hand. Ongeloofelijk. We hebben op deze reis echt nog veel meer waardering voor Mauyva gekregen. Ze zeilt altijd bijna rechtop, tussen de 5 en 15 graden helling, ook als ze een sleurzeil aan de zijkant heeft hangen. Super.

En dan, op de 28e: Land in Zicht!! Tobago doemt op aan de horizon en die zelfde dag om 12 uur laten we het anker zakken op de bodem van Man of War (Engels oorlogsschip) Bay bij het dorpje Charlotteville. Naast ons was het strandje te zien van Pirates Bay. Een prachtig stil strandje, dat meteen overgaan in tropisch woud, op een eiland dat  niet vergeven is van de toeristen, waar de bewoners zelf het straatbeeld uitmaken. Langs het strand van het dorp staan hokjes waarin mensen een bedrijfje runnen, een eettentje, een internetplek plus wasserij, een miniatuur ‘supermarktje’ of een benzienestationnetje.

De overtocht in cijfers

in Zeemijlen

De rechte lijn afstand was 2700 mijl  (een mijl is 1.852 kilometer)

We hebben totaal 2973 mijl afgelegd.

We hebben daar 430 uur over gedaan, namelijk 18 dagen, dag 1 van 1800 uur tot 16 uur op de laatste dag in UT tijd.

De gemiddelde snelheid is daarmee 6,9 knopen en dat is heel hard als je bedenkt dat het niet altijd hard waait.

Gemiddeld per etmaal 165 mijl.

in Kilometers

Afgelegd totaal 5506 kilometer

We hebben daar 430 uur over gedaan, namelijk 18 dagen, dag 1 van 1800 uur tot 16 uur op de laatste dag in UT tijd. Op een grote oversteek houd je een tijdklok aan.

(In Tobago is het 4 uur vroeger dan op de 0-meridiaan Universal Time, in Nederland is het 1 uur later.)

Dat is gemiddeld 12,58 kilometer per uur, het tempo waarin je rustig fietst.

Per etmaal ruim 300 kilometer.

Per etmaal om 12 uur ’s middags hebben we opgeschreven hoe groot de afstand was, dit is de lijst:

1e etmaal (van 18 uur) 104 mijl   er was weinig wind

2               156

3               153

4               157

5               168

6               183      we hadden veel wind en voeren bijna halve wind

7               158

8               153      vrijwel al het verse eten is bedorven

9               160      de parasailor wordt uitgeboomd gebruikt

10            148

11            163

12            158

13            188

14            188

15            163      At wordt getroffen door een vliegende vis

16            154

17            193      de parasailor blijft per ongeluk staan

18            191      we varen met 25 – 27 knopen wind dwars op de golven

Charlotteville, Tobago

Heerlijk is het in die baai, er liggen maar vijf boten, ver uit elkaar. We worden omringd door bergen met regenwoud erop. En de voertaal hier is engels, dus dat we niet zo hard spaans hebben gestudeerd als de bedoeling was is niet heel erg.

De mensen zijn allemaal heel vriendelijk, ze zijn de zeilers wel gewend. Verder zijn er wat huisjes die aan westerlingen worden verhuurd, de rest van de mensen is zwart, deels met rastahaar. In elegante visbootjes, met aan weeszijden lange hengels die als sprietantennes op een insect uitsteken, gaan ze de zee op en halen daar grote tonijnen, dolfijnvissen en marlijnen uit, naast een hoop klein grut.

Als At meegaat met een visboot vangt hij niets en dat is een uitzondering.

In het midden van de foto zie je een mooi gebouw met varanda, dat was ons restaurantje. Buiten eten, lokale gerechten.

 

Rock and Roll

“You will roll” waarschuwde de pilot van de Cariebische eilanden bij het hoofdstukje over ankeren. ’s Nachts is de wind vrijwel weg en gaat het schip inderdaad vreselijk liggen rollen. In bed is dat een ramp want hoe je ook ligt, op je rug, dan schuif je heen en weer over je vel, op je zij beweegt je onderlichaam anders dan je bovnelichaam en dat wiebelt in de onderrug. Uit wanhoop waren we maar weer ieder in een apart bed dwars gaan liggen en ik werd de volgende dag wakker met een vreselijke rugpijn. Ik dacht: daar gaat mijn reis, ik wil naar huis of ik moet dit probleem nu oplossen.

Het werd optie B: we hebben een Sea Breake, een stopzak om achter je schip te hangen als je gesleept wordt bijvoorbeeld, zodat je niet tegen je sleper aanbotst, of om af te remmen als je te hard van de golven afsurft. Die stopzak hebben we aan het eind van de giek gehangen in het water, verzwaard met wat kilo’s duiklood en de volgende nacht hebben we heerlijk, in een bed, geslapen.

Je zou denken dat je onderweg in de golven van de oceaan ook dit probleem zou hebben, maar onder het zeilen heb je winddruk naar een kant van de boot. Onze bedden zijn aan de zijkanten dicht dus je kunt er niet uit vallen. Aan de lage kant van het bed leg je kussens neer, je vlijt je er tegenaan en je ligt prima vast. Dan is slapen geen probleem.

Met een auto met gids gaan we een dag het eiland rond. Aan de noordkust is de ene na de andere prachtige baai met namen als Bloody Bay en Englishmans Bay. De engelsen zijn de laatste heersers geweest op het eiland, na de gebruikelijke machtswisselingen tussen de spanjaarden, hollanders, fransen en britten.  Nu is Tobago samen met Trinidad een onafhankelijk land. De Tobagohoofdstad Scarborough is niet erg interessant, wel bezoeken we het King George Fort dat de stad bewaakt heeft en waarin een museum is met oude kaarten, artefacten van de oorspronkelijke bewoners, de arwac indianen en wat koloniale spullen.

Ook rijden we een stukje door het regenwoud op de bergrug, het oudste natuurreservaat ter wereld. De zuidkust is echt een atlantische kust met ruige zee en stromingen die de strandjes daar ongeschikt maken om te zwemmen. Maar ook daar zijn baaien, zoals King Bay, met een prachtig strand en daar zou je ook prima kunnen ankeren, wat een enorm superjacht dan ook doet.

De dorpen/stadjes die we tegen komen zijn nogal lelijk eerlijk gezegd, eigenlijk is alleen Charlotteville echt mooi om te zien.

Op 4 maart in de avond vertrekken we naar Trinidad om onze vrienden Pim en Paula van de Panoramix (www.panoramixopzee.nl) op te zoeken en samen naar de grote en beroemde carnavalsoptocht te gaan. De ochtend van de 5e komen we aan in de haven Crews Inn bij Chaguaracas aan de noord westpunt van het eiland. We zien dolfijnen als we tussen eilandjes tegen een harde stroom in varen naar de enorma baai van Trinidad.

We liggen nu in een luxe jachthaven met hotel en zwembad, alle voorzieningen voor het goede leven. Het is soms nogal warm hier, dik boven de 30 graden, dus dat zwembad komt van pas.

Hier houden we het wel een paar weken uit; morgen de optocht en dan een visum aanvragen voor de USA.

Beatrijs

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

De Canarische eilanden

We zijn een hele tijd in Las Palmas gebleven, eerst kwam Tess twee weken logeren. We genoten uitgebreid van de stad op de twee fietsjes van de Mauyva en reden over de mooie fietspaden langs de kust. In het oude gedeelte is een kerk met bronzen honden ervoor, herinnerend aan de reden dat de eilanden Canarias heten. Er is hier niet veel mooi te zien, dus als er iets apart is komt dat meteen in de gidsjes te staan.

Met een huurauto reden we naar het noorden van het eiland. Daar is het nogal groen, zoals op al deze eilanden wordt met de noord-oostpassat vochtige lucht aangevoerd die neerslaat en als droge lucht over het zuiden gaat zodat daar veel minder plantengroei is. We bezochten een eeuwen oude opslagplaats van granen en ander voedsel dat in vakken in de kraterwand werd verstopt en zo hoog ligt dat het goed verdedigbaar is. 

Interressant was een museum dat op de resten van een oud dorpje staat en waar je kunt zien hoe de hutten waren gebouwd tot de spanjaarden kwamen; daarvoor leefden ze nog in een stenen tijdperk. Er was een ronde ruimte met aan weerszijden een uitgebouwde slaapplek. Middenin was een vuurtje maar van een rookgat in het dak is niets te bespeuren; het dak bestaat uit een grote plaat steen dus het zal benauwd zijn geweest in die huisjes. Aan de muur zit een uitsteeksel waarop een ‘idool’ stond, een klein beeldje.

Apart van de video’s is dat de mensen gewoon bloot rondlopen, daar doen ze hier niet moeilijk over. Dat zijn we anders gewend. Een van de films gaat over de verovering van de eilanden, dat heeft in Gran Canaria wel honderd jaar geduurd. En dan zie je hoe de oorspronkelijke bewoners ten onrechte hebben vertrouwd dat de bezetter zich aan de afspraken zou houden, hoe de mensen werden afgevoerd naar Spanje en er maar erg weinig echte canarianen zijn overgebleven.

De wegen hier zijn smal en vaak stijl en omdat je de helft van de tijd in de wolken rijdt ook vochtig.  Opweg naar de rand van de vulkaan ging het stijl naar boven, de wolken in. Een soort tropich regenwoud ontplooit zich, vol varens, aloe vera en bomen met takken vol slierten spaans mos. Wolken stuwen door de valleien naar boven en maken alles nat. De bewegwijzering liet nogal te wensen over, dat is ook lastig als er verschillende plaatsjes met dezelfde naam zijn in een gebied. De rand van de vulkaan haalden we dus niet maar een mooie tocht was het wel.

 

Met de boot maakten we een mooie tocht om de westkant van het eiland, het is daar enorm ruig. Steile bergwanden doorsneden met diepe kloven en als er ook maar een beetje een stukje wat minder steil is een klein dorpje met een klein haventje of alleen een huisje met een trap naar zee. Die steile wanden zijn soms doorgebroken vulkanen: je ziet de doorsnede van de kegel, compleet met magma kamers en –gangen. Een explosie moet de helft van de kegel in zee hebben gestort.

We waren op weg naar de haven van Magon aan de zuid-westkant waar Pim en Paula heen waren gegaan om van daaruit de Atlantische oceaan over te steken naar Barbados. (Ze hebben er 3 weken over gedaan.) We hebben nog gezellig met ze kunnen eten en ze een goede reis toe kunnen wensen. Puerto de Magon is nieuw aangelegd maar het is smaakvol gedaan met huizenblokken die niet hoger zijn dan twee verdiepingen, leuke straatjes met aan weerszijden hybiskushagen. Het is allemaal verhuurwerk maar toch heeft het sfeer.

Met Tess ben ik in een onderzeeer geweest om de zeebodem te bekijken. We hebben echt de slappe lach gekregen van het bandje dat ze draaien in die boot waarbij je voortdurend een sonar ‘ping’ hoort, alsof we op zoek waren naar vijandelijke onderzeeers. We zagen wel vissen en wrakken, een enorme rog vloog langs. De dag erna weer toeristentijd: hangen aan een parachute achter een motorboot. Het was erg relaxed moet ik zeggen. Echt heerlijk om te doen. Mooi om zo boven het water te hangen.

Jammer dat Tess weer weg moest en wij weer naar Las Palmas voeren.

 

Na Tess kwamen vrienden uit Nederland, Cor en Veronica. Zij verbleven in het prachtige hotel Santa Catalina, vlak bij de haven. Het is een prachtig ouderwets hotel met mooie zalen, fijne kamers met douche en ligbad, een heerlijk terras, kamermeisjes met een schortje om en een wit kapje op het hoofd, en daarbij een zwembad, sauna enzovoort, gelegen in een parkje met fontijnen, beeldenpartijen en vooral dikke oude palmbomen. Dus qua comfort vergelijkbaar met onze boot.

Het was heel gezellig, we begonnen de dag meestal in de Sailors Bar aan het begin van onze steiger, de enige plek in Las Palma waar wij de koffie lekker vinden. En dan een plan maken voor de dag. Bijvoorbeeld: Cor en At gaan vissen (in de haven, het stikte er van de vis: wahoe, harder, platte streepjesvissen) en Veronica en Beatrijs gaan fietsen in de stad. Dat laatste is natuurlijk veel interessanter omdat Las Palmas tegen een schiereilandje aan ligt. Als je naat het noorden fietst langs het water, dan zie je op een gegeven moment dat twee blokken verder weer plamen staan en die zijn van het toeristenstrand aan de andere kant van het smalle stukje waar het schiereilandje aan de rest vastzit. Als je dan doorsteekt kom je opeens op een grote boulevard met een mooie ruime baai met een zandstrand met als golfbreker een rif zodat de vele badgasten hier geen last hebben van de branding. Langs de boulevard de bekende slechte restaurants en de rommelwinkels. Jammer dat het kennelijk altijd zo moet zijn. Gelukkig waren aan onze kant van de stad, zelfs in de haven, fijne restaurants te vinden. Naast de haven is ook een strand maar daarvoor liggen veel zeilboten te ankeren (die hebben geen rioolaansluiting op hun boot) en het water smaakt er ook een beetje naar olie want de jachthaven is maar een klein hoekje in een enorme haven waar voortdurend grote schepen af en aan varen.

 

Met Cor en Veronica reden we naar de west- en zuidkant van de vulkaan. Jammer dat we het op een zondag deden want dan blijken alle canariers zich in de auto naar de berg te begeven om daar te picknicken. Als je de berg oprijdt zie je op de thermometer in de auto dat het steeds kouder wordt. Beneden in de haven is het bijvoorbeeld 23 graden, hoog op de berg nog maar 10. De mensen zitten in het bos te eten in ongeveer 17 graden en in de vochtige lucht. Tja, het is een gewoonte zullen we maar zeggen.

We reden over een weg in de hoogte en dan zie je prachtige lavaformaties en het landschap dat is ontstaan nar de vulkaanuitbarstingen en de daarop volgende erosie is geschiktvoor een videogame; bergen, geisoleerde vlaktes, punten waar de caldera van de vulkaan is. In januari is het voor de amandelbomen lente:

 

Maar ook aan de vakantie van Cor en Veronica kwam helaas een eind. Nog voor ze weggingen begonnen Handige Harry en Jan, twee timmerlui die al rondreizend werken aan de boten van andere mensen, aan onze boot. Het timmerwerk is namelijk door mijzelf gedaan en ik ben geen ervaren boot-in-timmeraar. Een boot heeft allemaal schuine zijden, dingen lopen rond en alles moet goed vast zitten, anders komt het onderweg los. Dus de ramen waren niet afgewerkt, het waren openingen in de binnenwand en je kon zo de isolatie zien zitten. Harry en zijn maat hebben er mooie kozijntjes ingezet, gebruikmakend van mooie freesmachines en zaagtafels. Pas toen ze klaar waren konden wij weer verder varen. Eigenlijk zouden we naar Barbados gaan maar Rene en Pauline, die al 6 weken op hun pakje uit Nederland zaten te wachten, wilden ook wel eens verder en vroegen ons het pakje, als het nog mocht komen, even bij hen langs te brengen in La Gomera. Dat vonden wij goed en het pakje is door At listig ontfutseld aan het postkantoor zodat wij het konden meenemen.

Het is hier in La Gomera echt heel fijn en mooi, erg rustig vergeleken met Las Palmas. San Sebastian, aan de oostkust waar onze haven ligt, is de hoofstad van het eilandje maar je loopt er in een paar minuten doorheen. Mijn naam heeft hier een betekenis want het was de mooie weduwe Beatriz de Bobadilla die er voor zorgde dat Christofel Columbus na zijn bezoek aan Las Palmas altijd eerst naar La Gomera voer. Het beeldige huis van Beatriz ligt pal naast de haven en heeft een prachtig aangelegde tuin. Van daaraf is de foto van de  besneeuwde bergtop van de Teide op Tenerife genomen.

Vervolgens ging het vervelend hard waaien hier (zie de witte kammer op de golven op de foto van Tenerife) zodat niemand zin had om te vertrekken, nu pas is de erg harde wind weg en kan er morgen, 4 februari, vertrokken worden. At heeft alleen het hele schip overhoop gehaald om de spullen beter op te ruimen en ik ben begonnen aan naaiklussen, zoals goede kussens voor in de kuip (klaar) dekjes om de ramen in de tropen te beschermen tegen de felle zon (klaar) en bijna af is de hoes die de fok op het dek moet beschermen tegen de zon. De zon eet op den duur alles op als je het niet beschermt tegen de UV-stralen, de gevolgen daarvan hebben we al veel gezien: voorzeilen die helemaal aan rafels om hun oprolprofiel hangen, zeiltjes die vol gaten zitten en ramen die ondoorzichtig zijn geworden.

 

Wij vertrekken een van de komende dagen ook om in ruim twee weken naar Barbados te gaan. Nog wat boodschappen doen en de laatste dingen opruimen.

 

De volgende berichtgeving komt dus van de andere kant van de oceaan…..

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

Oudjaar 2010

Oudjaar in Las Palmas op Gran Canaria. Het is mooi weer en het lijkt in niets op het Nederlandse oudejaar zoals we dat gewend zijn: geen jas, geen sokken, een stralende zon en warm weer. Heerlijk maar moeilijk om de sfeer te pakken. Op de steiger is een feestje van zeilers onderling.

Deze blog begint als we al een poosje op weg zijn met onze zeilboot Mauyva. Vanuit onze ‘thuishaven’ in Port Leucate, zuid Frankrijk, voeren we in de kou langs de Spaanse kust tot in Gibraltar (zie de foto bovenaan deze pagina; wij op de rots). Daar hebben we liggen wachten op mooi weer voor een oversteek naar de Canarische eilanden. In de straat van Gibraltar kwamen geleidelijk aan de grote oceaangolven aangerold. Je vaart weg uit Gibraltar op de ebstroom maar na een uurtje of zes komt onvermijdelijk de vloed. Grappig is dat je daarvan letterlijk een rand ziet in het water; golven die rechtop gaan staan (blijkt dat dat clapotische golven heten) en dichter bij de Afrikaanse kust zelfs enorme brekers. Als je er doorheen vaart merk je helemaal niets. Ja, wel als je door de brekers gaat maar dat deden wij dus niet.

Met prachtig weer maakten we de oversteek van 650 mijl (1200 km) naar Lanzarote in ruim vier dagen; twee zeilend en twee op de motor omdat er te weinig wind was. Onderweg langs de Marokkaanse kust zagen we veel schildpadden, drijvend in groepjes. En toen net de zon zou ondergaan op de tweede dag kregen we bezoek van een groep dolfijnen.

Dat was voor ons de eerste ervaring met de oceaan.

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

At en Beatrijs zeilen de wereld rond

Onze reizen met de Mauyva over zeeen en oceanen, naar verre landen en continenten. De avonturen, perikelen en ervaringen die horen bij een reis om de wereld. Plannen worden gemaakt en dan meestal door het weer veranderd.

Geplaatst in Uncategorized | Tags: | 4 reacties